|
Nederlandse Spreekwoorden
1. Aalmoezen geven verarmt niet.
Als je iets van je rijkdom weggeeft krijg je daar in geestelijk opzicht iets
voor terug.
2. Een aal bij de staart hebben.
Aan iets bezig zijn dat bijna zeker zal mislukken.
3. Dat zijn aambeien met slagroom.
Dat zijn dingen die niets met elkaar van doen hebben.
4. Dat gaat aanbranden.
Dat gaat verkeerd aflopen.
5. Hij is gauw aangebrand.
Hij is snel kwaad.
6. Zij is aangebrand.
Zij is in verwachting geraakt.
7. De aanval is de beste verdediging.
Door zelf het initiatief te nemen wordt je minder snel door een ander overtroefd.
8. Dat is de aap gevlooid.
Dat is onbegonnen werk.
9. De aap aanspreken.
Spaargeld opmaken.
10. De aap vlooien.
Het geld tellen.
11. Hij heeft de aap binnen.
Hij heeft het geld te pakken.
12. Hij heeft aardappelenbloed.
Hij ziet er ongezond uit.
13. Hij praat met een aardappel in zijn mond.
Hij praat overdreven deftig.
B
1. De baard in de keel krijgen.
In de pubertijd komen; een zwaardere stem krijgen.
2. Een echte man heeft een baard.
Een man van de daad zijn.
3. Een kus zonder baard is een ei zonder zout.
Een jongen moet ouder zijn dan het meisje dat hij liefkoost.
4. Hij wil aan mijn baard leren scheren.
Hij wil het op mijn kosten proberen.
5. Iemand iets in de baard wrijven.
Iemand iets verwijten Iemand iets in de hand stoppen.
6. Iemand in de baard varen.
Iemand iets verwijten Iemand in de boot nemen.
7. In zijn baard brommen.
Tegen zichzelf praten.
|